Brief 15 januari 1920

Donderdag morgen, 15 Jan. 20

Beste S. E. en kinders!
Zoo wordt het al eens tijd dat wij weer eens iets van ons laten hooren. Gij allen hebt dus laatst een goede reis gehad; gaat het met Auke nu ook goed? Het gaat hier weer bij ‘t oude; met Vader dan eens weer wat beter, en dan wêer wat minder, hij heeft het tegenwoordig druk schrijven met de loonstaten. Gij hebt het zeker in de courant gelezen dat Jan Betzema en Andries Miedema geslaagd zijn. Otto had op twee vakken onvoldoende op andere nog al 9 en 8. Het is jammer, maar de moed moet er maar wêer bij. Hij is al van plan om het in Mei nog eens wêer te doen. Van Harmen hebben wij deze week ook een brief gehad; ons dunkt het staat er nog al gunstig voor met zijn solliciteren. Hij had ook nog al even met Hijnk de Groot gesproken, en die had hier nog al veel in te zeggen dacht Harmen. Hij had ook aan jelui geschreven, dus is Sybe ook wel er mee bekend; wij willen het beste er maar van hopen. Ik heb verleden week een brief naar uw Moeder geschreven, en wilde wel gaarne eens weten wat van de begrafenis van Tante Yke, waar zij die hadden gehouden, en of zij er ook geweest was. Wij zullen wel spoedig eens bericht terug krijgen, denk ik. Twee sterf gevallen zijn hier verleden week al geweest in het nieuwe jaar; de oude huishoudster van Sijmen Wiersma, en de vrouw van Ate Schregardus; het laatste is een treurig sterf geval. Des nachts was zij bevallen van een meisje; de toestand leek toen nog al ernstig, en even later was er een nier gesprongen, zoodat zij des morgens zes uur al overleden is. Trits Anna zal nu dus wel wêer bij Ate de huishouding moeten waarnemen daar zijn nu twee kleine kinders. Zij woont nu in bij haar dochter, Monte en Trijntje. Wat een harde wind, nietwaar? wij hadden het hier ook weer slim te verduren. G. moest Zondag middag telkens maar kelder dweilen, dat water kwam weer door de muur, en in de keuken was het op de vloer, gelukkig dat het later droog wêer werd. Ynske moet deze week weer naar Groningen om onderzocht te worden; zij ziet er anders best uit en is goed fleurig, doch de rug zal denk ik wel een zwak deel blijven. Hebt Gij de nieuwe meid al? Dina is nu al vertrokken; Jannie moet Mem nu maar mee helpen, he Jannie? Auke gaat zeker nu weer naar school. Meer weet ik niet te schrijven, en zal dus maar eindigen, ook eens weer terug schrijven.
Dag Auke en Jannie! vele groeten van ons allen, uwe liefh. Moeke.

(Naschrift van Vader)

Storm en hoogwater, dat is de dagtekst. Van ‘t laatste hebben wij hier gelukkig geen last. Ik las dat de Maas en de Rijn alles weer onder water zetten. 't Is voor de bewoners mooi, dat er geen vorst is. Harm heeft goed werk gemaakt zoo ‘t schijnt, hij heeft kans op een benoeming dunkt mij. De tractementsregeling werd ook gunstiger volgens hem. Wij zullen er het beste van hopen. 'k Wou dat Otto ook maar goede vooruitzichten had. Geertje blijft er opgewekt onder, dat is maar goed. Vele groeten ook voor A. en J. ook van Vader.

Brief 4 februari 1920 – origineel

Dinsdagavond 3 Febr. 1920

Beste S. E. en kinders!
Wij zitten op dit oogenblik met ons beiden, G. is zes uur met de anderen weggegaan om van avond voor de Krik te Dokkum de stukken op te voeren, welke zij hier met de Kerstdagen gespeeld hebben. De dames in een wagen van Lubberts en de Heeren ook in een wagen en de anderen fietsen, welke niet in de wagen konden. Zij treffen maar best wêer. Wat gelukkig dat het hooge water is afgezakt, nietwaar? Sybe had het er ook druk mee, en dan nog die zorgen er bij men zou hopen dat het nu niet weer zoo komt. Van Harmen hebben wij Zaterdag voor een week de laatste brief gehad, hij had toen bericht ontvangen dat hij te Dordrecht benoemd zou worden. De officieele benoeming van de Minister moet nog komen. Wij zijn er zeer blij om, want ons dunkt het is een groote verbetering voor hem, en wat de standplaats betreft, had ook wel veel minder kunnen zijn, b.v. Maastricht, Venlo of Breda dat was geheel in ‘t zuiden van ‘t land. Otto zal de moed er bij houden om voor de 2
e maal het nog eens te probeeren, ik had de vorige keer vergeten te schrijven, dat hij zei ik moest maar aan Sybesma schrijven dat het beste cigaren waren. Wij hebben de aal al lekker op gegeten, en zijn tegenwoordig ’s avonds bezig met de tong; de halve tong heb ik gekookt, de andere helft voor later; maar lekker, hoor! het spek wordt nu wat goedkooper, en het vleesch ook, ik geef hier nu 1.20 voor het rundvleesch, laatst 1.30. Hoe gaat het met de nieuwe meid? begint het al wat te wennen? Auke kan nu zeker daags weer naar school om het hooge water, dat nu weer is afgezakt en hoe is het met Jannie? Ik had al eens bericht uit Wijnaldum verwacht, maar nog niets. Verleden week hebben wij een brief van Mina gehad. Met Jan Pastelein werd het nog niets beter. Hij kreeg nu ook dikke handen en voeten. Met een operatie kon Dr. Mulder hem ook geen beterschap beloven, dat moest nog maar eens overgaan. Tante Kee kwam nu Zondags altijd van 3 tot 10 uur, en was goed gezond. Hendrik Woudstra is overleden; is Maandag nu acht dagen begraven, de Zondags toen het zulk prachtig wêer was, zijn Vader en ik even bij haar geweest. Vader klaagt tegenwoordig alle dagen over hoofdpijn; van daag is baas v.d. Veen hier geweest om het haar te knippen, of het nu ook eens wat beteren zal; hij neemt ook alle dagen al Hoofdpijn tabletten. Met mij gaat het best. Tot zoover Dinsdag avond; nu is het Woensdag morgen, en moet vader er nog maar iets bijvoegen.

(Gedeelte geschreven door Vader)

Moeke lit net folle romte for my oer, mar ik haw ek net in bult to fortellen. Ik kin de pine yn ‘e bolle mar net kwyt wirde – mei tabletten kin ik ‘t wol hwet stjûre it komt út de minder goede spysfortarring foart leau ik, ‘t is mar ûngemakkelik. De toanielclub hat in bêste reis hawn nei Dockum. ‘t Wier al oer fjouwerer dat G. thús kaem. Moai spile en tige by tige foldien. It selskip moast ek in nummer hawwe nou men de wrâld yn scoe waerd der ornearre. Mar iens koe men it net wirde.
Der waerd foarsteld it R.W. Ganne to neamen, de âlde Fryske skriuwers waerden ôfkard. Mar de forkoarting R.W.G. foun immen út, jowt ús dan noch ris de namme fen it reisjende W.G. ôf it rammeljend W.G. sei in oare spotfûgel. Ganne fen ‘e baen. De âlde namme “Us nocht” wier fensels net goed mear, “Us stribjen” sa as it hiette yn ‘e dagen fen propaganda for Staatspensionneering ek net. Do krige Geartsje yn opdracht my to freegjen. Ik kaem mei hwet âlds en hwet nijs tagelyk. Neam it “Iduna” wier myn rie, nei de Noarske godinne dy troud wier mei Bragi de god fen ‘e dichtkinst en ‘e foardracht werby hja syn stipe wier.
Hja biwarre ek de gouden apels, wer ‘t de goden goden fen iten, dan bliuwen hja altyd jong en stoaren net. Hja waerd ek wol biskôge as de draechster fen it nije libben dat maityds, of ljeaver yn ‘t hege Noarden nei de lange winternacht, him ûntjoech en de ierde wer grien makke. It earste tiidskrift fen it selskip for F. Tael en Skr. ûnder bistjûr fen Harmen Sylstra hiette ek sa.
Nou dy namme foel der yn en sa is nou it selskip doopt en “Iduna” hat in beste fuotsje to Dockum foar set, hear ik wol.
Wy sjogge nou út nei de officieele bineaming fen Harmen. Syn lêste skriuwen wier, sa ‘t Moeke al skreau dat de secr. Generael him fordragen hie for in bineaming op in stânpleats Dordt bigjin salaris f 2200 pinsioen ôftrek jierliks 4%. Harmen hie ljeaver Dimter of Arukim hawn, mar wy fine it noch net sa min. Yn alle gefal better as Maestricht, Venlo ôf Breda en derby Dordt is ek gjin luxe stêd sa as Arukim.
Hy woe mei heal Februwaerje ûntslach freegje by de hearen de Jong. Ik haw him noch de rie jown de hearen de kaert bleat to lizzen de bineaming fen ‘e min. kin ek wol hwet út bliuwe. It hiet mei yngong fen 1 Maert mar dat kin ek wol letter steld wirde, tink ik.
Jimme fêst tige bliid, dat ik hege wetter ôfsakke is. Der scil yn Sibe syn krite ek wol gans op to knappen wêze tink ik – yn Limboarch moat it der núver hinne lizze neffens de krante.
Nou scille wy ite en ik bin ek útpraet – jimme matte nou mar ris wer oan ‘e pin.
Rjue groetenissen oan jim allegearre. Fader.

Brief 4 februari 1920 – vertaling

(Gedeelte geschreven door Vader)

Moeder laat niet veel ruimte voor mij over, maar ik heb ook niet een hoop te vertellen. Ik kan de hoofdpijn maar niet kwijt raken – met tabletten kan ik het wel wat sturen – het komt uit de minder goede spijsvertering voort geloof ik, het is maar ongemakkelijk. De toneelclub heeft een beste reis gehad naar Dokkum. Het was al over vieren toen Geertje thuiskwam. Mooi spel en zeer, zeer voldaan. Het gezelschap moest ook een naam hebben nu men de wereld inging, werd er verondersteld. Maar eens kon men het niet worden.
Er werd voorgesteld het R.W. Ganne te noemen, de oude Friese schrijvers werden afgekeurd. Maar de verkorting, R.W.G. vond iemand uit, gaf ons dan nog eens de naam van het reizende W.G. of het rammelende W.G., zei een spotvogel. Ganne van de baan. De oude naam ‘Us Nocht’ (‘Ons Genoegen’) was vanzelf niet goed meer, ‘Us Stribjen’ (‘Ons Streven’) zoals het heette in de dagen van progaganda voor Staatspensionnering ook niet. Toen kreeg Geertje de opdracht mij te vragen. Ik kwam met wat ouds en wat nieuws tegelijk. Noem het ‘Iduna’ was mijn raad, naar de Noorse Godin die getrouwd was met Bragi, de God van de dichtkunst en de voordracht waarbij ze zijn steun was.
Ze bewaarden ook de gouden appels, waar de Goden van eten, dan blijven ze altijd jong en stierven niet. Ze werd ook wel beschouwd als de draagster van het nieuwe leven dat in het voorjaar, of liever in het hoge noorden, na de lange windernachten, hem ontluikten en de aarde weer groen maakten. Het eerste tijdschrift van het gezelschap voor Friese Taal en Schrijfkunst onder bestuur van Harmen Sylstra heette ook zo.
Nou, die naam viel er in en zo is nu het gezelschap gedoopt en ‘Iduna’ heeft een best beentje voor Dokkum voorgezet, hoor ik wel.
Wij kijken nu uit naar de officiële benoeming van Harmen. Zijn laatste schrijven was, zoals Moeder al schreef, dat de secretaris-generaal hem voorgedragen had voor een benoeming op een standplaats Dordt; beginsalaris f 2.200.- pensioenaftrek jaarlijks 4%. Harmen had liever Dimter of Arukim gehad, maar hij vond het nog niet zo slecht. In elk geval beter dan Maastricht, Venlo of Breda en daarbij Dordt is ook geen luxe stad, zoals Arukim.
Hij wou in februari ontslag vragen bij de heren De Jong. Ik heb hem nog de raad gegeven de heren de kaart eenvoudig te liggen, de benoeming van de minister kan ook wel wat uitblijven. Het staat met ingang van 1 maart, maar dat kan ook wel later gesteld worden, denk ik.
Jullie zijn vast heel blij, dat het hoge water afgezakt is er zal in Sybe z’n omgeving ook wel veel op te knappen zijn, denk ik – in Limburg moet het er buitengewoon in wanorde bijliggen, volgens de krant. Nu gaan wij eten en ik ben ook uitgepraat – jullie moeten nu maar eens weer aan de pen. Veel groetjes aan jullie allen. Vader.

Brief 3 maart 1920 – origineel

Woendag middag, 3 Maart 20

Beste S. E. en kinders!
De brief van Sybe hebben wij verleden week ontvangen, en zullen nu maar eens wêer terug schrijven. Hoe gaat het nu met Auke? gaat hij nu al wêer naar school? en Jannie? zijn de klieren nu geheel wêer beter? Zaterdag avond kregen wij een brief van Harmen, hij had nu de officieele benoeming ontvangen. Donderdag avond waren ze weer naar huis gegaan, schreef hij, het kosthuis was nu ook klaar. Hoeveel moet hij nu betalen in de maand? daar heeft hij niet over geschreven; hij is dus Maandag met zijn nieuwe werkkring begonnen, hopende dat het maar goed moge bevallen. Het zal Lien eerst wel vreemd zijn dat hij niet meer in Oudewater is, maar wat het zwaarst is, moet het zwaarste wegen. Dit is tenminste een mooie betrekking, en alle jaren wordt het beter. De Booienga’s zijn al druk bezig met de bouw van de nieuwe huizen, Otto hebben ze aangesteld als Administrateu, dat die heeft het er al druk mede. Jakob had nu geen tijd meer voor de Distributie, dat die boeken moest hij ook in orde brengen. Verleden week kwam Koning hem vragen of hij genegen was ‘s morgens de post voor hem te doen, hij behoefde ‘s morgens niet meer te bestellen, dit doet hij nu ‘s morgens eerst. Het moet tegenwoordig maar niets afslaan, en neem maar wat meen krijgen kan. Eke heeft zeker wel in de Courant gelezen dat Jouke v.d. Ploeg overleden is, Kaatje zal binnenkort nu wel naar Dirkje gaan. Verleden week ben ik eens bij vrouw Anema geweest; dezen zomer verwacht ze weer een kleine, men zou hopen dat alles nu beter mag gaan, Ynske Booienga is anderhalve week naar Jorwerd geweest te logeren. Sloot heeft haar verleden Woensdag weer terug gehaald; met Sietske ging het best, zij begon zoo te groeien; met Jantje wil het tegenwoordig ook wêer niet, verleden week den geheelen week weer op bed. De jongelui hebben verleden week nog eene uitnodiging van Dokkum gekregen van de Toneel en Tennisclub (de elite) om ook nog eens voor hen op te treden. Dit is nu bepaald op a.s. Dinsdag 9 Maart. Het kan ook niet best geweigerd worden; dit zal dan de laatste uitvoering wel worden. Zij hebben het er dezen winter maar druk mede; dit is nu niet zoo’n lange reis als naar Kollum, daar was het ook best voldaan. Met 1 April begint hier weer een Huishoud Cursus onder leiding van Mej. Pernis. 24 meisjes hebben zich aangegeven. Hinke en Ietje Wiersma, en Sietske Booienga en Jeltje Silma zijn er ook bij; de anderen zijn meest boeredochters uit andere dorpen. Het is jammer dat het met de meid niet zoo best is uitgevallen, Sybe schreef dat Eke haar misschien met April maar weer liet gaan; het is treffen tegenwoordig. Juffr. v.d. Meer knapt al wêer wat op, maar zij is nog niet in school, griep, gelijk zij altijd had in Februari, verleden week was zij zoo heesch. Tjip Lubberts is ook een groot vertien dagen ongesteld geweest, gister avond is zij hier wêer voor het eerst geweest. Het plan is nu om eerst maar bij de familie als Jan trouwt, dat zij ziet nu mara niet direct om als huishoudster. Wij zijn bang dat haar dit ook niet zal mee vallen, maar zij moet het maar weten. Van Sybren Oom kwam ook een brief. Tante was verleden week 80 jaar geworden, en had Vader haar een brief geschreven. De oude lui maakten het nog maar best. Vader heeft nog al last van hoofdpijn, vandaag is het er echter niet minder om, hij denkt van soort griepigheid. Met G. en mij gaat het best. Nu moet ik maar eindigen, hopende spoedig weer eens wat van U allen te hooren. Dag Auke en Jannie! Uwe liefh. Moeke. N. v. Loon-Roorda.

(Geschreven door Vader)

Ik haw it hjoed tige drok skriuwen en kin net oan himme brief tokomme, dos letter mar ris. Fen it tastjûrde for de swanneblommen hoopje ik op syn tiid to soargjen. Dach bern. Fader.
Scoe ‘t net it best wêze, dat Auke yn den Bosch yn ‘e kost komt? Woansdeis en Snjeons nei hûs gean. Dat hellet in hiele boel geswalk for him út.


Brief 3 maart 1920 – vertaling

(Friestalige tekst, gescheven door Vader)

Ik heb het vandaag zeer druk met schrijven en kan niet aan jullie brief toekomen, dus later maar eens. Voor het toegesturen van de zwanenbloemen hoop ik op zijn tijd te zorgen. Dag kinderen, Vader.
Zou ’t niet het best zijn, dat Auke in Den Bosch in de kost gaat? Woensdagen en zaterdagen naar huis gaan. Dat haalt een heleboel gedoe voor hem weg.


Brief 19 maart 1920

Vrijdag middag, 19 Maart 20

Beste S. E. en kinders!
De brief van Eke hebben wij deze week ontvangen en zal nu maar spoedig terug schrijven. Wat is dat toch raar met Auke nietwaar? wat is hij vaak ongesteld en Jannie ook al niet goed. De kinkhoest hebben ze beide zeker ook nog niet gehad. De Advertentie in de Leeuwarder Courant hebben wij gelezen van het overlijden van Keuning, en van de Jong, wij zeiden al nu zal Sybe wel op Leeuwarden solliciteren; dat was dichtbij. G. zei al dan kon zij mooi met de fiets naar jelui toe, en ik eens een paar nachten; nu, wij moeten maar afwachten, hoe het komt. Eke begint nu zeker niet met de schoonmaak en dat groote huis, als de meid weg gaat, en dan met een werkster, dat zou ik het maar wat overleggen, en wat op zich zelf passen; de wasch er uit, dat scheelt. Geertje is verleden week een paar nachten aar Wartena geweest, zij kreeg eene uitnodiging van Mina om Woensdag de uitvoering mede bij te wonen van Wartena’s Gemengd Koor. Zij is toen Woensdag met de fiets naar Veenwouden gegaan, met de tram naar Suameerderhoek en toen weer met de fiets naar Wartena. Vrijdag geheel per fiets kwam ze weer thuis, de wind was toen nog al zeer gunstig. Zij was met Tante Tjits en Tante Kee heen geweest, zij waren allen goed gezond. Met Jan Castelein wil het nog maar niet, altijd ettert de wonde nog, en daarbij krijgt hij dikke handen en voeten, alle dagen moest Anna hem verwinden; geen beterschap, denk ik. Mina en kee hadden het druk met naaien met de trouwerij met Jim.
Laatst was Tante Sep met drie dochters in Wartena geweest, zij wilden wel een bed en theegoed van Tante kee koopen, doch Tante Kee had gezegd zij had niets te missen, zoodat hier niets van komen kon; van Harmen hebben wij nu in een poos geen bericht gehad, van Lien verleden week een brief, hij had een goed kosthuis getroffen het was wel wat lastig dat hij geen vrije kamer had, maar dat was niet anders. Hij wilde niet gelooven dat hij met Paasch thuis kwam, daar hij er nog maar kort was, wilde hij niet zoo spoedig om verlof vragen. Over trouwen daar spreken ze nog niet over, ik zei ook al het was wel beter, altijd dat reizen en trekken, en dan Zondags weer naar Oudewater dat valt op den duur ook af. Dinsdag is er boelgoed ten sterfhuize van Bokke Houkje. Abberda zal het doen. Heeringa helpt hem dan, anders mag het niet. Hoe gaat het tegenwoordig met de familie te Wijnaldum? voor een poos hebben wij eens een briefkaart gehad. Bij Willem Booienga zijn ze druk aan ‘t timmeren, de andere kamer wordt ingericht voor slaapkamer, een schut er in, en dan twee slaapkamertjes. Kalma zal heden avond bij jaarsma spreken, Juffer Ratsma zang, en Juffer v.d. Veen voordrachten. G. zal er ook heen. De uitvoering naar Dokkum dat hebben ze afgesteld, daar komt niet meer van, het wordt te laat in de tijd. G. zou anders schrijven, maar die zit druk te naaien, zoodat ik het nu maar weer doe. Vader zit mooi in de zon in de keuken druk te schrijven; de hoofdpijn is nog heelemaal niet over, met dat scherpe weer kan hij er tegenwoordig ook niet eens uit. Nu zal ik maar eindigen en weet op dit oogenblik ook niet meer. Dag Auke en Jannie! Vele groeten van ons allen. Uwe liefh. Moeke

G. is druk met mijn zwarte jurk aan ‘t veranderen. Eke weet wel die heb ik nu al 9 jaar gehad; wij hebben alles uit elkaar en toen in ‘t water gehad, hij wordt nu wêer knap.

Brief 1 april 1920

Donderdag avond, 1 April 20

Beste S. E. en kinders!
Ten eerste hartelijjk dank voor de felicitaties; van Harmen kwam de brief Donderdag middag al geheel uit Sas van Gent. Hij was met Kuperus voor de derde week al in Zeeland; het zijn me reizen, zij moesten daar nog al veel fietsen en dan weer met de boot; het was daar al mooi in Zeeland, schreef Harmen; veel vroeger met de boomen dan hier, hij heeft het mooi getrokken met het wêer. Hoe gaat het nu met U allen? is Auke ook weer naar school geraakt? en Jannie had het dus ook maar erg te pakken die griep dat beteekent wat, wordt ze nu al wêer wat sterker? Vader is naar de laatste les van de Landbouw Cursus. G. is even naar Mawier (Metslawier -red-) op de fiets, zoodat ik nu maar even aan ‘t schrijven ga. Met mijn verjaardag kreeg ik ook een brief van vrouw Jongbloed, van Jo Beijer, van Lien, een briefkaart van Th. Sijtsma en een briefkaart van uw Moeder. Hinke is hier des avonds even geweest en Otto, Geertje, Renske Reiding en Tjip Lubberts zijn gister avond met die andere 4, n.l. Griet v.d. Akker, Haukje, vr. Reiding en Hinke Veenstra bij Domini aan huis geweest om Zondag mede aangenomen te worden. Toen ik vandaag voor een veertien dagen aan Eke schreef, had Domini hen des avonds op de chategesatie gevraagd of zij nu ook nog plan hadden om lidmaat te worden, dan kon dit nog wel, daar zij den geheelen winter trouw altijd hadden gegaan; zij zijn er toen met hun drieën maar toe over gegaan; de volgende Woensdag moesten ze dan maar bij hem aan huis komen, en gister avond was Geima er ook bij tegenwoordig. Yme Sijtsma was niet recht goed, zoodat die er niet bij was. Zondag morgen worden ze bevestigd. Griet v.d. Akker en Hinke Veenstra zijn van middag naar Dokkum om een barometer voor Domini te koopen; dit is nog al een geschikt cadeau, daar zijn overglas in de gang capot is. Daar alles zoo vlug in zijn werk ging, hebben ze maar besloten geen nieuwe bleezer er voor aan te schaffen; ieder had wel een mantelpakje. Als Sybe binnenkort in Wijnaldum komt, en de tijd er voor heeft, komt hij zeker ook even in Metslawier. Jongbloed en de Vrouw waren laatst in ‘t begin van Maart ook 25 jaar getrouwd, maar hadden er ook geen drukte van gemaakt. Jo was al thuisgeweest, zij had nu daags een dagmeisje van 19 jaar, dat beviel haar best; zij wilde er anders niet aan, doch had het veel te druk, zij had het ook nog al met de maag en ingewanden te doen. Lien zou met Harmen zijn verjaardag een paar dagen naar Dordt, en dan naar Breda daar woont Tante Jo. Netje had nu een maand verlof, en was dan thuis; met 1 Mei ging die naar het groot Ziekenhis. Met het mooie wêer zijn wij al druk aan ‘t wasschen geweest; beddegoed en spreien alles is al schoon. Het bed daar wij op slapen, die teek was geheel stuk zoodat dit naar Dokkum is en nieuwe teek er om komt, de peluw natuurlijk er bij, dat is tegenwoordig een dure grap; het moest 35 gulden kosten, alles wordt nu weer knap en op de ledikant van ‘t andere kamertje (boven) hebben we 2 nieuwe stroozakken gekregen, dat was ook hoog noodig. Nu nog wat voor Auke zijn briefje; het was mooi geschreven hoor jongen, wij kunnen het best lezen; de mooie dagen gaan wij nu wêer te gemoet, dat wij hopen dat Auke vooreerst nu maar niet weer ziek wordt; komt Jannie er nu ook al weer uit? Hebben jelui al weer eens nader bericht gekregen? zeker niet. Kuperus ging met 1 April naar Leeuwarden, en had al een huis. Harmen moest nu alleen op reis. Als Jo met de Paaschdagen weer in Foudgum kwam, kon het wezen dat ze hier a.s. Woensdag of Donderdag middag kwam, als het wêer het toe liet om te fietsen. Nu zal ik maar eindigen dag Auke en Jannie! Uwe liefh. Moeke.

(Deel geschreven door Vader)

Ook nog wat van mij. Ik hoop met Beppe dat Auke en Janny de ziektes nu achter den rug hebben – het mooi weer zal nu welkomen. Vandaag al een zoel regentje. Zal Auke nu na de Paaschvacantie weer naar school?
Vinden jelui Breukelen zoo verwerpelijk? Ik veronderstel dat er beter woongelegenheid te vinden zal zijn dan te Leeuwarden. Woonde de vorige opzichter misschien in een buitenwijk van Utrecht? dat zou best kunnen dacht ik. Wij zijn ook al benieuwd wat er aan komen zal.
Ik heb van middag de laatste les van den Winderlandb. cursus meegemaakt en heb vanavond geen lust meer veel te schrijven. Moeke heeft ook al van alles verteld dunkt mij. Ik moet dan later maar eens wat meer. Nu mijn groeten.
Hartelijk gegroet een plezierige Paasch. Je Vader.

Briefkaart 20 april 1920 – origineel
B.B.
De brief fen E. mei it greate nijs, ha wy jouns krige. Nou ús hertlike lokwinsken – as ’t nou mei ’t hûs mar hwet losrinne mei. ’t Is oars nou sa’n minne tiid net, tinkt my, om Maeije hinne doch de krapke is great. Jimme moatte in greter hûs hawwe as in gewoan boarger, ’t kin ek wol ris hwet tafolle. Yn’e Krússtriette flak efter it postkantoar hat lang in great hearenhûs leach stien fen de femylje Suringar. Myn neef Jim Boomsma wennet er neist en hie foar in inkeld jier yet it oppassen. Der laeit in greate tún efter. Do ‘t ik forline hjerst by Onno Sylstra wier, woe dy syn hûs ek wol misse as er lytser wer krije koe. Hy wennet oan ‘e Noarder Singe 72 dalik by it Diaconessenhûs.
Poes moet maar in een mandje Janny en dan in ’t spoor. Us dominy naem ien mei fen Anloo hjir hinne, bitimmere yn in hokje mei gaes. By oankomst hjir wier ’t hokje leech in poeke wei sa ’t like – mar do ’t alles út de wein wier siet hy yn ‘e hoeke en is yet springlibben. Sal him wol mei – mar de tún net Auke. Nou wy heare wol ris wer hwet. S. Scil der wol hinne moatte to fjild ûntdekken kin Douwe ek helpe?
Mei groetenis Fader. Mitselwier 20.4.20.

Briefkaart 20 april 1920 – vertaling
Beste kinderen,
De brief van Eke met het grote nieuws, hebben wij vanavond gekregen. Nu onze hartelijke gelukwensen – als het nu met het huis maar wat loslopen mag. Het is anders nu een te slechte tijd, nietwaar? Lijkt mij, rond mei is de krapte toch groot. Jullie moeten een groter huis hebben dan een gewoon burger; het kan ook wel eens wat meevallen. In de Kruisstraat vlak achter het postkantoor heeft lang een groot herenhuis leeggestaan van de familie Suringar. Mijn neef Jim Boomsma woont ernaast en had voor één jaar nog het oppassen. Er ligt een grote tuin achter. Toen ik verleden herfst bij Onno Sylstra was, wilde die zijn huis ook wel missen als hij weer kleiner krijgen kon. Hij woont aan de Noordersingel 72, dadelijk bij het Diaconessenhuis.
Poes moet maar in een mandje, Jannie en dan mee in de trein (deze aan Jannie gerichte zin, was in het Nederlands geschreven -red-). Onze dominee nam één met van Anloo hierheen, betimmerd in een hokje met gaas. Bij aankomst hier was het hokje leeg en Poeke
(de kat -red-) weg, zo leek het – maar toen alles uit de wagen was zat hij in een hoekje en is nog springlevend. Zat hem wel mee – maar de tuin niet, Auke. Nu horen wij wel eens wat. Sybe zal er wel heen moeten om te veld te ontdekken. Kan Douwe helpen?
Met groeten, Vader. Metslawier 20-04-1920.

Brief 26 mei 1920

Woensdag, 26 Mei 1920

Beste S. E. en kinders!
De brief en de briekaart van Eke hebben wij ontvangen, de tijd begint nu te naderen dat Sybe 1 Juni te Leeuwarden moet zijn. Dat de huur van huizen duur is te Leeuwarden wisten wij wel, want een zuster van Anema hebben een huisje gehuurd aan de Harlingenstraat, nog kleiner dan dit van ons, voor 500 gulden, die gaat nu trouwen; zijn de huizen wat grooter, dan gaat komt het op 900 of 1000 gulden toe; daar zullen jelui wel niet voor weg kunnen. Gaat Sybe nu in een Hotel, hoe zal die het daar nu hebben en Eke bij Zonderveld, zoo moet dit maar weer geschikt worden. Als Sybe te L. is, kan hij zelf eens naar huizen zien, dat is ook beter. Van Harmen kregen wij verleden week een brief, met de Pinksterdagen zou hij weer naar Oudewater, hij was verleden week wêer in Zeeland, zou des nachts te Terneuzen logeeren. In Hulst was hij ook geweest, daar was het juist kermis. Gij hebt zeker wel in de Courant gezien dat Burgemeester Sijtsma en zijn Vrouw 25 jaar getrouwd waren. Des Maandags zou 3 tot 6 uur receptie bij hen aan huis, en de Dinsdag avonds hebben ze een diné in de Posthoorn waar 70 personen gevraagd waren. Des anderen morgens 7 uur was Baumvalk pas thuis gekomen. Verleden Donderdag werden de lui uit het Armhuis getracteerd, waar bij zij beiden des avonds tegenwoordig waren. Jantje Baarda is overleden aan tuberculose in de ingewanden, zij moet een vreeselijk lijden gehad hebben. Jipke is al in haar huis, hier in Metslawier, doch de nieuwe huizen zijn hier nog niet klaar, dat de lui moeten zoolang wachten, zij kunnen geen genoeg hulp krijgen. Jan Lubberts gaat a.s. Vrijdag trouwen. De Ooms en Tante’s en nichten zijn des middags al verzocht; Otto en Geertje des avonds, zij trouwen te Dokkum, en de bruiloft bij Karel Jousma. Tjip gaat Vrijdag avond mee naar Nijkerk, en blijft daar voorloopig een poos. O. en G. zullen beide hier; Otto begint zeker wat te veranderen in dat stuk van zaken. De vrouw hier van Jakob Veenstra (Trientje) is ook wêer ongesteld, zij moet liggen in een tentje, waar ze nu mee bezig zijn te maken; voor dire jaar is ze ook een poos ziek geweest, ik geloof het zit haar weer aan de ingewanden, en daarbij o zulk een minne patiënt. Tjeerd Anna is hier Vrijdag middag nog even geweest te afscheid nemen, daar zij Zaterdag morgen wegging naar Eelderwolde, met Paterswolde; zij krijgen haar maar een klein huis, kamer en keuken – de oude schuld heeft zij betaald. Zij hadden allen er even veel zin aan, maar als er nu maar een kostwinning is, dat is het voornaamste. Ynske is geloof ik op dit oogenblik weer bij de Vrou Zondag is die weer van Munnekezijl gekomen; Maandag weer met Sloot naar Bergum; in de tilbury. Zij doktert nu met een boertje van Kollumerpomp. Gaat het nu goed met Auke? en wordt Jannie ook wat beter? die meikevers zijn rare dingen niet waar Jannie? Eke moet de volgende week al eens weer schrijven hoe het bij Zonneveld voldoet. G. heeft verleden week een nieuwe naaimachine gekregen, de oude wilde haast niet meer; deze is er aan verruild. Een beste soort Grnitscher Eerebra van Dokkum; 69 gulden de nieuwe en 14 gulden hebben wij voor de oude gekregen, zoodat wij 55 gulden moesten toegeven. Nu zal ik maar eindigen. Dag Auke en Jannie! Uwe liefh. Moeke.

Zij doktert nu met een boertje uit Kollemerpomp. Gaat het nu goed met Auke? En wordt Jannie ook wat beter? Die meikevers zijn rare dingen, nietwaar Jannie? Eke moet volgende week weer eens schrijven hoe het bij Zonneveld bevalt. Geertje heeft verleden week een nieuwe naaimachine gekregen. De oude wilde haast niet meer, deze is er voor verruild. Een goed merk. Grnitscher Eerebra uit Dokkum. De nieuwe kostte 69 gulden en 14 gulden hebben wij voor de oude gekregen, zodat wij 55 gulden moesten bijleggen. Nu zal ik maar eindigen. Dag Auke en Jannie! Uw liefhebbende Moeke!

(Bijgevoegd deel door Vader)

Als Sybe in Leeuw. is ontvangen wij wel zijn adres. Hij zal dus weer rustig naar een woning kunnen omzien. Duur zal ‘t wel zijn – als men 12 à 15.000 gld als koopsom vraagt, zal de huur ook wel naar f 900 à f 1000 loopen. Jelui zult wel van een zuren appel moeten bijten.
Het is hier vandaag erg broeiig gisteren ook al. Het zit mij op mij borst – wat minder beweging, wat beter.
Is er in Lwd. een kantoor aanwezig of moet Sybe daar ook voor zorgen. Hoe zit dat, daar heb ik nog niet over gehoord. Hoe komt het met Sultan?
Onze hartel. groeten, ook voor A. en J. Wat zeggen zij van het café S. ? Vader.

Brief 27 juni 1920 – origineel

Mitselwier, 27 Juni 20.

B. E. A. en J.
Wy hawwe dyn brievekaert krigen – wy hienen al earder biricht forwachte – howol tiding fen syktme altyd to gau komt. Nou ‘t jimme safier fen elkoar ôfbinne komt syktme al hiel min to pas.
Lokkich dat it him nou better oansjen lit en Sybe wer in pear dagen by jimme wêze kin. Fen ‘e moarn krigen wy in briefke fen him dat G. Tiisdei oan ‘e trein hjirre neijer biricht fen him krije kin – hy mat dan nei ‘t eilân. Dou scilste wol witte, det hy hjir al ris in pear kear efkes west hat – ienkear mei iten en ienkear de jouns en den hjir wer op ‘e trein. It wiernen lykwols mar koarte hoartsjes. Mei in hûs wol ‘t yet mar net flotsje, dat is dan mâl.
Kinst ek by S. op ‘e keamer ef binne der ek greater keamers to krijen – der ‘t jimme al fjouwer wêze kinne en den de meubels mar earne yn in pakhûs. Sa kin it doch op in djûr net tinkt my. Wy sjogge – foaral moeke – tige de krante nei – hwet der oanbean wirdt, mar altyd to keap en den meast lytse húzen. Greate binne skreauwend djûr, mar jimme scille noch wol ris fen in sûre appel bite moatte. Djûr hiere is fensels better.
Hastou hwet oanhâld oan de nije opsichter? Dou hast er fensels ek wer drokte fen. Lokkich dat A. en J. soun binne. Nou, mei dyn oanfal fen pine kinne wy ús bigripe, dat stou graech nei Ljouwert wolste. Kinne jimme earst ek net jimme geneare yn in lyts hûs? Ik hoopje dat S. in útkokmst fynt – wy binne al nijsgierrich nei Tiisdei. Dou moast er gau ris wer skriuwe. Wierne jimme to Lj. Dan koe G. as maklik ris oerkomme, sûnder folle kosten – nou is ‘t in djûre lange reis en Moeke kin hjar net lang misse, dy is wol goed, mar de pit is der hwet út, lyk as mei wy ek al. Ik bin in gjin wike de bûrren om wêst bliuw mar ljeafst by honk. Nou moat Moeke oan ‘e pin. Myn groetenissen ek oan ‘e bern.


(Gescheven door Moeke)

Vader heeft al een heele boel geschreven, maar nu moet ik er ook nog maar wat bij voegen. Wij willen maar hopen Eke dat de pijn nu maar niet weer komen mag, was Eke nu maar in Leeuwarden, zei ik. Als Gij in L. komt en hebt de hulp van Geertje noodig, voor een week kan ik dat wel schikken, dat gaat wel; wij zijn nu al nieuwsgierig naar de berichten van Sybe; zoo kan het op den duur zeker ook niet. Deze week kreeg ik ook een briefkaart van uw Moeder uit Wijnaldum, of ik haast ook eens over kwam; dit zal voor eest nog wel niet worden, daar ik binnenkort eens naar Wartena zou; het is nu nog in ‘t mooist van de tijd, en daar ben ik geen 3 jaar geweest en dit is lang al zoo gesteld. Harmen was laatst ook in Oudewater toen G. er geweest is, zij zijn des Maandags naar Rotterdam geweest, en Lien en Geertje hebben Harmen des morgens eerst op de trein gebracht naar Dordrecht; hebben toen nog een paar boodschappen in R. gedaan anders waren ze zoo vroeg bij Oom en Tante. Loda was nu Onderwijzeres in Ter Bregge, en fietste daags heen en weer, dit is niet zoo ver van Rotterdam. Harmen mocht wel over zijn betrekking, het kon nog best zijn dat hij met Juli verplaatst werd naar Middelburg; hij moet bijna alle weken naar Zeeland reizen. Ik ben Maandag even bij vr. Anema geweest, de kleine is Vrijdag al een veertien dagen geworden, alles gaat zoo best, zij zat al weer bij de tafel te thee schenken, zoo’n aardig kind, het kon wel 3 of vier weken oud zijn; zij heeft het aan de borst. Bertus Edema is de vorige week ook getrouwd, en Baukje veertien dagen eerder met Jakob Tjeerds. Sjoukje Kalma verwacht in ‘t laatst van Augustus ook een kleine, en Zuster Blokpoel, die met meester Wiersma getrouwd is, ook. Trijntje Humalda is een week naar Sietske geweest. Sietske gaat soms eens naar een dokter in Groningen van wege de maag. Hier zijn vier Duitsche kinders in Mitslawier, allen uit Hamburg, een meisje bij Domine Voest (Teela, heet ze); Erna bij Dr. Tichelaer, een jongetje bij Miedema, die in de fabriek is, en een jongetje bij Banger en Afke. Teela komt hier nog al dikwijls, een heel aanvallig meisje, zij wordt in september 11 jaar. Eichaff is haar achternaam. In Mawier zijn 8. Bij Reiding in Nijkerk ook een jongetje, bij smid Kuipers in Mawier een meisje van 8 jaar. Jannie mocht graag over leezen, heeft Siebe ons verteld, en Auke dat gaat nu ook best met zijn gezondheid, nietwaar? Eke moet nu maar spoedig eens terug schrijven, hoe het gaat. Dag Auke en Jannie! was de nieuwe Sprichte niet uit Apeldoorn? gaat die Zaterdags ook naar huis? Uwe liefh. Moeke.

(Boven aan de pagina)


Tjip Lubberts is nu naar L. te logeeren, eerst nog bij Reiding zij komt hier nog al eens. Ynske is nog in Munnekezijl.

Brief 27 juni 1920 – vertaling

(Vaders Friestalige tekst)


Metslawier, 27 juni 1920

Beste Eke, Auke en Jannie,
Wij hebben jouw briefkaart gekregen – wij hadden al eerder bericht verwacht – hoewel tijding van ziekte altijd te snel komt. Nu jullie zover van elkaar af zijn komt ziekte altijd heel slecht van pas.
Gelukkig dat het hem nu beter laat aanzien en Sybe weer een paar dagen bij jullie zijn kan. Vanmorgen kregen wij een briefje van hem dat Geertje dinsdag aan de trein hier nieuw bericht krijgen kan – hij moet dan naar het eiland. Je zult wel weten, dat hij hier al eens een paar keer even geweest is – éénmaal met eten en éénmaal ’s avonds en dan hier weer op de trein. Het waren meestal korte poosjes. Met een huis wil het nog maar niet vlotten, dat is dan raar.
Kan ook bij Sybe op de kamer of zijn er ook grotere kamers te krijgen – waar jullie alle vier kunnen zijn en dan de meubels maar ergens in een pakhuis. Zo kan het toch op den duur niet, lijkt mij. Wij zoeken – vooral Moeke – zeer de kranten na, wat er aangeboden wordt, maar altijd te koop en dan meestal kleine huizen. Grote zijn schreeuwend duur, maar jullie zullen nog wel eens in een zure appel bijten moeten. Duur huren is vanzelf beter.
Heb je wat aangehouden aan de nieuwe opzichter? Je hebt er vanzelf ook weer drukte van. Gelukkig dat Auke en Jannie gezond zijn. Nu, met jouw pijnaanval kunnen wij ons begrijpen dat jullie graag naar Leeuwarden wilde. Kunnen jullie je eerst niet behelpen in een klein huis? Ik hoop dat Sybe een uitkomst vindt – wij zijn al nieuwsgierig naar dinsdag. Jij moet gauw weer eens schrijven. Zijn jullie te Leeuwarden dan kon Geertje zo makkelijk eens overkomen, zonder veel kosten – nu is het een dure lange reis en Moeke kan haar niet lang missen, die
(zij) is wel goed, maar de pit is er wat uit, zoals met mij ook al. Ik heb in geen week een ommetje door het dorp gemaakt – blijf naar liever thuis. Nu moet Moeke in de pen. Mijn groeten zijn ook aan de kinderen.

Brief 11 juli 1920 – origineel

Mitselwier, 11 Juli 20

B. E. en bern!
Dyn lêste brief krigen wy Sneintomoarn. Lokkich dat de pine weibleaun is. Nou mar bidaerd oan. Do ’t Hartmans for my de skoalle waernaem hie hy ek faek lêst fen pine. Dy prate ek fen galstiennen. Hy brûkt nou geregeld Karlsbad zout en ik hear him net mear oer syn kwaelen. Dat sâlt bifoardet tige de spysfortarring, mien ik. H. moast folle grienten ite en in bytsje fet brûke. Moai dat de bern fiks soun binne. Ja, as Auke mei foetbalje bigjint den scil ’t wol op ‘e skoen oankomme. Ek op ‘e ankels en skinen – mar dy heelje wol wer sûnder de skoenmakker, as ’t mar net sa mal giet dat de dokter der by to pas kommen moat. Ek moai, dat jimme mei mynhear Lodder opsjitte kinne. As ’t mei it kostjild útkinste is ’t dochs fordieliger en geselliger as yn in hôtel, scoe ‘k wol sizze.
Mei de húzen to Ljouwert is ’t dan in raer spil – Sybe hat fensels de eagen goed op. Moeke sneupt trou de krante nei – er is der hwet fen húzen yn, dan is ‘t: scoe dat nou net kinne as wier it dan earst hwet bihelpen. Mar wy kinne it hjirwei net bioerdielje. Moeke is jistermoarn ôfreisge nei Warten. Ik hie der gjin sin oan – bin ljeaver thús. Ik treft net sa moai mei ’t waer. Freed werom is ’t plan en den wol Moeke yn ‘e Ossekop oan. Sibe skreau ús jister dat der nimmen by him kaem; hy kaem by elk, sa woed er net mear. As er nou Freedtomoarn mar thús is, út ‘e boat wei scoe M. der kinne. Der is ’t net sa fier fen ôf haw ik M. al bitsjut. Ynske is efkes yn Grinslân west mar swalket nou hwet om – meast to Mountsjesyl – by de omkes Holwerda as húshâldster. Alde frou Holwerda hjir, hat fen inkelde wiken de foet britsen en nou is Hil, de dochter, dy ’t oars by hjar broers op M.syl wier, hjir folle.
Beppe hat Ynske simmers ljeaver net. Y. moat de kost ek ha en flittert ljeafst om. Fen ’t winter scil hja wol mear fest by Beppe komme tink ik. It hûs in Grinslân fen Tsjeerd is lyts en der is mar in pear pounmiet lân by. Tj. hat syn âld fak wer oanpakt – hy mitselt nou en kin grou jild fortsjinje yn ‘e ûre f 1.-. It is it forstânnichste hwet hy dwaen kin. Ja mei Lieuwke wier it kanker. Nou ’t hja net mear geregeld bistraeld waer – boaze it hird oan.
Jantsje Booijenga is wer klear en scoe nei Jorwert. Hjar Tryntsje moast ek nei dokter – dy hat kwisje mei de mandels en wirdt hwet bryk, leau ‘k. To minsten hja scoene ek mei hjar nei ’t Zander ynstitút. ’t Is in hiel grou famke – mar der sit net folle by. Geart en ik binne soun. Us groetenissen Fader.

Frou Booijenga scoe mei nei Jorwert – mar nou sit der in him to brieden en nou is de reis hwet hjar oangiet oergien. Nimmen kin fensels op dy him tasjen. ’t Is altyd frjemd!


Brief 11 juli 1920 – vertaling

Metslawier, 11 juli 1920

Beste Eke en kinderen!
Jouw laatste brief kregen wij zondagmorgen. Gelukkig dat de pijn weggebleven is. Nu maar rustig aan. Toen Hartmans voor mij de school waarnam had hij ook vaak last van pijn. Jij praatte ook van galstenen. Hij gebruikt nu geregeld Karlsbadzout en ik hoor hem niet meer over zijn kwaal. Dat zout bevordert zeer de spijsvertering, denk ik. Hartmans moest veel groente eten en een beetje vet gebruiken. Mooi dat de kinderen flink gezond zijn. Ja, als Auke met voetballen begint, dan zal het wel op de schoen aankomen. Ook op de enkels en schenen – maar die helen wel weer zonder de schoenenmaker, als het maar niet zo raar gaat dat de dokter er aan te pas moet komen. Ook mooi, dat u met meneer Lodder vooruitkomen
kunt. Als het met het kostgeld uitkomt is het evenwel voordeliger en gezelliger dan in een hotel, zou ik wel zeggen.
Met de huizen te Leeuwarden is het dan een raar spel. Sybe heeft vanzelf de ogen goed open. Moeke snuffelt trouw de kranten na – en is er wat over huizen in, dan is het: zou dat nu niet kunnen, al was het dan eerst wat behelpen. Maar wij kunnen het hier vandaan niet beoordelen. Moede is gistermorgen afgereisd naar Warten. Ik had er geen zin in – ben liever thuis. Ik trof het niet zo mooi met het weer. Vrijdag wederom is het plan en dan wil Moeke de ossenkop aan
. Sybe schreef ons gister dat er niemand bij hem kwam; hij kwam bij elk: zo wilde hij niet meer. Als hij nu vrijdagmorgen maar thuis is, uit de boot weg zou Moeke er kunnen. Daar is het niet zo ver vanaf heb ik Moeke al aangewezen. Ynske is even in Groningen geweest maar zwalkt nu weer terug – meeste te Munnikezijl – bij de ooms Holwerda als huishoudster. Oude vrouw Holwerda hier, heeft enkele weken geleden de voet gebroken en nu is Hil, de dochter, die anders bij haar broers op Munnikezijl was, hier veel.
Beppe heeft Ynske zomers liever niet. Ynske moet de kost ook hebben en is liefst uithuizig. Van de winter zal ze vast meer bij Beppe komen, denk ik. Het huis in Groningen van Tsjeerd is klein en er is maar een paar pondenmaat land bij. Tsjeerd heeft zijn oude vak weer aangepakt – hij metselt nu en kan grof geld verdienen, in het uur f 1.-. Het is het verstandigste wat hij doen kan. Ja, met Lieuwke was het kanker. Nu ze niet meer geregeld bestraald wordt – het boze houdt aan.
Jantsje Booijenga is weer klaar en zou naar Jorwert gaan. Haar Tryntsje moest ook naar de dokter – die heeft wat met de amandelen en wordt wat zonderling, geloof ik. Tenminste zij zouden ook met haar naar het Zander Instituut moeten gaan. Het is een heel zware meid – maar er zit niet veel bij. Geertje en ik zijn gezond. Onze groeten van Vader.

Mevrouw Booijenga zou mee naar Jorwert – maar nu zit er een hen te broeden en nu is de reis wat haar aangaat overgegaan. Niemand kan vanzelf op die hen toezien. Het is altijd vreemd!