Brief 15 januari 1920
Donderdag
morgen, 15 Jan. 20
Beste S.
E. en kinders!
Zoo wordt het al eens tijd dat wij weer eens iets van ons
laten hooren. Gij allen hebt dus laatst een goede reis
gehad; gaat het met Auke nu ook goed? Het gaat hier weer
bij ‘t oude; met Vader dan eens weer wat beter, en dan wêer
wat minder, hij heeft het tegenwoordig druk schrijven met
de loonstaten. Gij hebt het zeker in de courant gelezen dat
Jan Betzema en Andries Miedema geslaagd zijn. Otto had op
twee vakken onvoldoende op andere nog al 9 en 8. Het is
jammer, maar de moed moet er maar wêer bij. Hij is al van
plan om het in Mei nog eens wêer te doen. Van Harmen hebben
wij deze week ook een brief gehad; ons dunkt het staat er
nog al gunstig voor met zijn solliciteren. Hij had ook nog
al even met Hijnk de Groot gesproken, en die had hier nog
al veel in te zeggen dacht Harmen. Hij had ook aan jelui
geschreven, dus is Sybe ook wel er mee bekend; wij willen
het beste er maar van hopen. Ik heb verleden week een brief
naar uw Moeder geschreven, en wilde wel gaarne eens weten
wat van de begrafenis van Tante Yke, waar zij die hadden
gehouden, en of zij er ook geweest was. Wij zullen wel
spoedig eens bericht terug krijgen, denk ik. Twee sterf
gevallen zijn hier verleden week al geweest in het nieuwe
jaar; de oude huishoudster van Sijmen Wiersma, en de vrouw
van Ate Schregardus; het laatste is een treurig sterf
geval. Des nachts was zij bevallen van een meisje; de
toestand leek toen nog al ernstig, en even later was er een
nier gesprongen, zoodat zij des morgens zes uur al
overleden is. Trits Anna zal nu dus wel wêer bij Ate de
huishouding moeten waarnemen daar zijn nu twee kleine
kinders. Zij woont nu in bij haar dochter, Monte en
Trijntje. Wat een harde wind, nietwaar? wij hadden het hier
ook weer slim te verduren. G. moest Zondag middag telkens
maar kelder dweilen, dat water kwam weer door de muur, en
in de keuken was het op de vloer, gelukkig dat het later
droog wêer werd. Ynske moet deze week weer naar Groningen
om onderzocht te worden; zij ziet er anders best uit en is
goed fleurig, doch de rug zal denk ik wel een zwak deel
blijven. Hebt Gij de nieuwe meid al? Dina is nu al
vertrokken; Jannie moet Mem nu maar mee helpen, he Jannie?
Auke gaat zeker nu weer naar school. Meer weet ik niet te
schrijven, en zal dus maar eindigen, ook eens weer terug
schrijven.
Dag Auke en Jannie! vele groeten van ons allen, uwe liefh.
Moeke.
(Naschrift
van Vader)
Storm en hoogwater, dat is de dagtekst. Van ‘t laatste
hebben wij hier gelukkig geen last. Ik las dat de Maas en
de Rijn alles weer onder water zetten. 't Is voor de
bewoners mooi, dat er geen vorst is. Harm heeft goed werk
gemaakt zoo ‘t schijnt, hij heeft kans op een benoeming
dunkt mij. De tractementsregeling werd ook gunstiger
volgens hem. Wij zullen er het beste van hopen. 'k Wou dat
Otto ook maar goede vooruitzichten had. Geertje blijft er
opgewekt onder, dat is maar goed. Vele groeten ook voor A.
en J. ook van Vader.
Brief 4 februari 1920 – origineel
Dinsdagavond
3 Febr. 1920
Beste S.
E. en kinders!
Wij zitten op dit oogenblik met ons beiden, G. is zes uur
met de anderen weggegaan om van avond voor de Krik te
Dokkum de stukken op te voeren, welke zij hier met de
Kerstdagen gespeeld hebben. De dames in een wagen van
Lubberts en de Heeren ook in een wagen en de anderen
fietsen, welke niet in de wagen konden. Zij treffen maar
best wêer. Wat gelukkig dat het hooge water is afgezakt,
nietwaar? Sybe had het er ook druk mee, en dan nog die
zorgen er bij men zou hopen dat het nu niet weer zoo komt.
Van Harmen hebben wij Zaterdag voor een week de laatste
brief gehad, hij had toen bericht ontvangen dat hij te
Dordrecht benoemd zou worden. De officieele benoeming van
de Minister moet nog komen. Wij zijn er zeer blij om, want
ons dunkt het is een groote verbetering voor hem, en wat de
standplaats betreft, had ook wel veel minder kunnen zijn,
b.v. Maastricht, Venlo of Breda dat was geheel in ‘t zuiden
van ‘t land. Otto zal de moed er bij houden om voor de
2e
maal het
nog eens te probeeren, ik had de vorige keer vergeten te
schrijven, dat hij zei ik moest maar aan Sybesma schrijven
dat het beste cigaren waren. Wij hebben de aal al lekker op
gegeten, en zijn tegenwoordig ’s avonds bezig met de tong;
de halve tong heb ik gekookt, de andere helft voor later;
maar lekker, hoor! het spek wordt nu wat goedkooper, en het
vleesch ook, ik geef hier nu 1.20 voor het rundvleesch,
laatst 1.30. Hoe gaat het met de nieuwe meid? begint het al
wat te wennen? Auke kan nu zeker daags weer naar school om
het hooge water, dat nu weer is afgezakt en hoe is het met
Jannie? Ik had al eens bericht uit Wijnaldum verwacht, maar
nog niets. Verleden week hebben wij een brief van Mina
gehad. Met Jan Pastelein werd het nog niets beter. Hij
kreeg nu ook dikke handen en voeten. Met een operatie kon
Dr. Mulder hem ook geen beterschap beloven, dat moest nog
maar eens overgaan. Tante Kee kwam nu Zondags altijd van 3
tot 10 uur, en was goed gezond. Hendrik Woudstra is
overleden; is Maandag nu acht dagen begraven, de Zondags
toen het zulk prachtig wêer was, zijn Vader en ik even bij
haar geweest. Vader klaagt tegenwoordig alle dagen over
hoofdpijn; van daag is baas v.d. Veen hier geweest om het
haar te knippen, of het nu ook eens wat beteren zal; hij
neemt ook alle dagen al Hoofdpijn tabletten. Met mij gaat
het best. Tot zoover Dinsdag avond; nu is het Woensdag
morgen, en moet vader er nog maar iets bijvoegen.
(Gedeelte
geschreven door Vader)
Moeke
lit net folle romte for my oer, mar ik haw ek net in bult
to fortellen. Ik kin de pine yn ‘e bolle mar net kwyt wirde
– mei tabletten kin ik ‘t wol hwet stjûre it komt út de
minder goede spysfortarring foart leau ik, ‘t is mar
ûngemakkelik. De toanielclub hat in bêste reis hawn nei
Dockum. ‘t Wier al oer fjouwerer dat G. thús kaem. Moai
spile en tige by tige foldien. It selskip moast ek in
nummer hawwe nou men de wrâld yn scoe waerd der ornearre.
Mar iens koe men it net wirde.
Der waerd foarsteld it R.W. Ganne to neamen, de âlde Fryske
skriuwers waerden ôfkard. Mar de forkoarting R.W.G. foun
immen út, jowt ús dan noch ris de namme fen it reisjende
W.G. ôf it rammeljend W.G. sei in oare spotfûgel. Ganne fen
‘e baen. De âlde namme “Us nocht” wier fensels net goed
mear, “Us stribjen” sa as it hiette yn ‘e dagen fen
propaganda for Staatspensionneering ek net. Do krige
Geartsje yn opdracht my to freegjen. Ik kaem mei hwet âlds
en hwet nijs tagelyk. Neam it “Iduna” wier myn rie, nei de
Noarske godinne dy troud wier mei Bragi de god fen ‘e
dichtkinst en ‘e foardracht werby hja syn stipe wier.
Hja biwarre ek de gouden apels, wer ‘t de goden goden fen
iten, dan bliuwen hja altyd jong en stoaren net. Hja waerd
ek wol biskôge as de draechster fen it nije libben dat
maityds, of ljeaver yn ‘t hege Noarden nei de lange
winternacht, him ûntjoech en de ierde wer grien makke. It
earste tiidskrift fen it selskip for F. Tael en Skr. ûnder
bistjûr fen Harmen Sylstra hiette ek sa.
Nou dy namme foel der yn en sa is nou it selskip doopt en
“Iduna” hat in beste fuotsje to Dockum foar set, hear ik
wol.
Wy sjogge nou út nei de officieele bineaming fen Harmen.
Syn lêste skriuwen wier, sa ‘t Moeke al skreau dat de secr.
Generael him fordragen hie for in bineaming op in
stânpleats Dordt bigjin salaris f 2200 pinsioen ôftrek
jierliks 4%. Harmen hie ljeaver Dimter of Arukim hawn, mar
wy fine it noch net sa min. Yn alle gefal better as
Maestricht, Venlo ôf Breda en derby Dordt is ek gjin luxe
stêd sa as Arukim.
Hy woe mei heal Februwaerje ûntslach freegje by de hearen
de Jong. Ik haw him noch de rie jown de hearen de kaert
bleat to lizzen de bineaming fen ‘e min. kin ek wol hwet út
bliuwe. It hiet mei yngong fen 1 Maert mar dat kin ek wol
letter steld wirde, tink ik.
Jimme fêst tige bliid, dat ik hege wetter ôfsakke is. Der
scil yn Sibe syn krite ek wol gans op to knappen wêze tink
ik – yn Limboarch moat it der núver hinne lizze neffens de
krante.
Nou scille wy ite en ik bin ek útpraet – jimme matte nou
mar ris wer oan ‘e pin.
Rjue groetenissen oan jim allegearre. Fader.
Brief 4 februari 1920 – vertaling
(Gedeelte geschreven door Vader)
Moeder laat niet veel ruimte voor mij over, maar ik heb ook
niet een hoop te vertellen. Ik kan de hoofdpijn maar niet
kwijt raken – met tabletten kan ik het wel wat sturen – het
komt uit de minder goede spijsvertering voort geloof ik,
het is maar ongemakkelijk. De toneelclub heeft een beste
reis gehad naar Dokkum. Het was al over vieren toen Geertje
thuiskwam. Mooi spel en zeer, zeer voldaan. Het gezelschap
moest ook een naam hebben nu men de wereld inging, werd er
verondersteld. Maar eens kon men het niet worden.
Er werd voorgesteld het R.W. Ganne te noemen, de oude
Friese schrijvers werden afgekeurd. Maar de verkorting,
R.W.G. vond iemand uit, gaf ons dan nog eens de naam van
het reizende W.G. of het rammelende W.G., zei een
spotvogel. Ganne van de baan. De oude naam ‘Us Nocht’ (‘Ons
Genoegen’) was vanzelf niet goed meer, ‘Us Stribjen’ (‘Ons
Streven’) zoals het heette in de dagen van progaganda voor
Staatspensionnering ook niet. Toen kreeg Geertje de
opdracht mij te vragen. Ik kwam met wat ouds en wat nieuws
tegelijk. Noem het ‘Iduna’ was mijn raad, naar de Noorse
Godin die getrouwd was met Bragi, de God van de dichtkunst
en de voordracht waarbij ze zijn steun was.
Ze bewaarden ook de gouden appels, waar de Goden van eten,
dan blijven ze altijd jong en stierven niet. Ze werd ook
wel beschouwd als de draagster van het nieuwe leven dat in
het voorjaar, of liever in het hoge noorden, na de lange
windernachten, hem ontluikten en de aarde weer groen
maakten. Het eerste tijdschrift van het gezelschap voor
Friese Taal en Schrijfkunst onder bestuur van Harmen
Sylstra heette ook zo.
Nou, die naam viel er in en zo is nu het gezelschap gedoopt
en ‘Iduna’ heeft een best beentje voor Dokkum voorgezet,
hoor ik wel.
Wij kijken nu uit naar de officiële benoeming van Harmen.
Zijn laatste schrijven was, zoals Moeder al schreef, dat de
secretaris-generaal hem voorgedragen had voor een benoeming
op een standplaats Dordt; beginsalaris f 2.200.-
pensioenaftrek jaarlijks 4%. Harmen had liever Dimter of
Arukim gehad, maar hij vond het nog niet zo slecht. In elk
geval beter dan Maastricht, Venlo of Breda en daarbij Dordt
is ook geen luxe stad, zoals Arukim.
Hij wou in februari ontslag vragen bij de heren De Jong. Ik
heb hem nog de raad gegeven de heren de kaart eenvoudig te
liggen, de benoeming van de minister kan ook wel wat
uitblijven. Het staat met ingang van 1 maart, maar dat kan
ook wel later gesteld worden, denk ik.
Jullie zijn vast heel blij, dat het hoge water afgezakt is
er zal in Sybe z’n omgeving ook wel veel op te knappen
zijn, denk ik – in Limburg moet het er buitengewoon in
wanorde bijliggen, volgens de krant. Nu gaan wij eten en ik
ben ook uitgepraat – jullie moeten nu maar eens weer aan de
pen. Veel groetjes aan jullie allen. Vader.
Brief 3 maart 1920 – origineel
Woendag
middag, 3 Maart 20
Beste S.
E. en kinders!
De brief van Sybe hebben wij verleden week ontvangen, en
zullen nu maar eens wêer terug schrijven. Hoe gaat het nu
met Auke? gaat hij nu al wêer naar school? en Jannie? zijn
de klieren nu geheel wêer beter? Zaterdag avond kregen wij
een brief van Harmen, hij had nu de officieele benoeming
ontvangen. Donderdag avond waren ze weer naar huis gegaan,
schreef hij, het kosthuis was nu ook klaar. Hoeveel moet
hij nu betalen in de maand? daar heeft hij niet over
geschreven; hij is dus Maandag met zijn nieuwe werkkring
begonnen, hopende dat het maar goed moge bevallen. Het zal
Lien eerst wel vreemd zijn dat hij niet meer in Oudewater
is, maar wat het zwaarst is, moet het zwaarste wegen. Dit
is tenminste een mooie betrekking, en alle jaren wordt het
beter. De Booienga’s zijn al druk bezig met de bouw van de
nieuwe huizen, Otto hebben ze aangesteld als Administrateu,
dat die heeft het er al druk mede. Jakob had nu geen tijd
meer voor de Distributie, dat die boeken moest hij ook in
orde brengen. Verleden week kwam Koning hem vragen of hij
genegen was ‘s morgens de post voor hem te doen, hij
behoefde ‘s morgens niet meer te bestellen, dit doet hij nu
‘s morgens eerst. Het moet tegenwoordig maar niets afslaan,
en neem maar wat meen krijgen kan. Eke heeft zeker wel in
de Courant gelezen dat Jouke v.d. Ploeg overleden is,
Kaatje zal binnenkort nu wel naar Dirkje gaan. Verleden
week ben ik eens bij vrouw Anema geweest; dezen zomer
verwacht ze weer een kleine, men zou hopen dat alles nu
beter mag gaan, Ynske Booienga is anderhalve week naar
Jorwerd geweest te logeren. Sloot heeft haar verleden
Woensdag weer terug gehaald; met Sietske ging het best, zij
begon zoo te groeien; met Jantje wil het tegenwoordig ook
wêer niet, verleden week den geheelen week weer op bed. De
jongelui hebben verleden week nog eene uitnodiging van
Dokkum gekregen van de Toneel en Tennisclub (de elite) om
ook nog eens voor hen op te treden. Dit is nu bepaald op
a.s. Dinsdag 9 Maart. Het kan ook niet best geweigerd
worden; dit zal dan de laatste uitvoering wel worden. Zij
hebben het er dezen winter maar druk mede; dit is nu niet
zoo’n lange reis als naar Kollum, daar was het ook best
voldaan. Met 1 April begint hier weer een Huishoud Cursus
onder leiding van Mej. Pernis. 24 meisjes hebben zich
aangegeven. Hinke en Ietje Wiersma, en Sietske Booienga en
Jeltje Silma zijn er ook bij; de anderen zijn meest
boeredochters uit andere dorpen. Het is jammer dat het met
de meid niet zoo best is uitgevallen, Sybe schreef dat Eke
haar misschien met April maar weer liet gaan; het is
treffen tegenwoordig. Juffr. v.d. Meer knapt al wêer wat
op, maar zij is nog niet in school, griep, gelijk zij
altijd had in Februari, verleden week was zij zoo heesch.
Tjip Lubberts is ook een groot vertien dagen ongesteld
geweest, gister avond is zij hier wêer voor het eerst
geweest. Het plan is nu om eerst maar bij de familie als
Jan trouwt, dat zij ziet nu mara niet direct om als
huishoudster. Wij zijn bang dat haar dit ook niet zal mee
vallen, maar zij moet het maar weten. Van Sybren Oom kwam
ook een brief. Tante was verleden week 80 jaar geworden, en
had Vader haar een brief geschreven. De oude lui maakten
het nog maar best. Vader heeft nog al last van hoofdpijn,
vandaag is het er echter niet minder om, hij denkt van
soort griepigheid. Met G. en mij gaat het best. Nu moet ik
maar eindigen, hopende spoedig weer eens wat van U allen te
hooren. Dag Auke en Jannie! Uwe liefh. Moeke. N. v.
Loon-Roorda.
(Geschreven
door Vader)
Ik haw it hjoed tige drok skriuwen en kin net oan himme
brief tokomme, dos letter mar ris. Fen it tastjûrde for de
swanneblommen hoopje ik op syn tiid to soargjen. Dach bern.
Fader.
Scoe ‘t net it best wêze, dat Auke yn den Bosch yn ‘e kost
komt? Woansdeis en Snjeons nei hûs gean. Dat hellet in
hiele boel geswalk for him út.
Brief 3 maart 1920 – vertaling
(Friestalige tekst, gescheven door Vader)
Ik heb
het vandaag zeer druk met schrijven en kan niet aan jullie
brief toekomen, dus later maar eens. Voor het toegesturen
van de zwanenbloemen hoop ik op zijn tijd te zorgen. Dag
kinderen, Vader.
Zou ’t niet het best zijn, dat Auke in Den Bosch in de kost
gaat? Woensdagen en zaterdagen naar huis gaan. Dat haalt
een heleboel gedoe voor hem weg.
Brief
19 maart 1920
Vrijdag
middag, 19 Maart 20
Beste S.
E. en kinders!
De brief van Eke hebben wij deze week ontvangen en zal nu
maar spoedig terug schrijven. Wat is dat toch raar met Auke
nietwaar? wat is hij vaak ongesteld en Jannie ook al niet
goed. De kinkhoest hebben ze beide zeker ook nog niet
gehad. De Advertentie in de Leeuwarder Courant hebben wij
gelezen van het overlijden van Keuning, en van de Jong, wij
zeiden al nu zal Sybe wel op Leeuwarden solliciteren; dat
was dichtbij. G. zei al dan kon zij mooi met de fiets naar
jelui toe, en ik eens een paar nachten; nu, wij moeten maar
afwachten, hoe het komt. Eke begint nu zeker niet met de
schoonmaak en dat groote huis, als de meid weg gaat, en dan
met een werkster, dat zou ik het maar wat overleggen, en
wat op zich zelf passen; de wasch er uit, dat scheelt.
Geertje is verleden week een paar nachten aar Wartena
geweest, zij kreeg eene uitnodiging van Mina om Woensdag de
uitvoering mede bij te wonen van Wartena’s Gemengd Koor.
Zij is toen Woensdag met de fiets naar Veenwouden gegaan,
met de tram naar Suameerderhoek en toen weer met de fiets
naar Wartena. Vrijdag geheel per fiets kwam ze weer thuis,
de wind was toen nog al zeer gunstig. Zij was met Tante
Tjits en Tante Kee heen geweest, zij waren allen goed
gezond. Met Jan Castelein wil het nog maar niet, altijd
ettert de wonde nog, en daarbij krijgt hij dikke handen en
voeten, alle dagen moest Anna hem verwinden; geen
beterschap, denk ik. Mina en kee hadden het druk met naaien
met de trouwerij met Jim.
Laatst was Tante Sep met drie dochters in Wartena geweest,
zij wilden wel een bed en theegoed van Tante kee koopen,
doch Tante Kee had gezegd zij had niets te missen, zoodat
hier niets van komen kon; van Harmen hebben wij nu in een
poos geen bericht gehad, van Lien verleden week een brief,
hij had een goed kosthuis getroffen het was wel wat lastig
dat hij geen vrije kamer had, maar dat was niet anders. Hij
wilde niet gelooven dat hij met Paasch thuis kwam, daar hij
er nog maar kort was, wilde hij niet zoo spoedig om verlof
vragen. Over trouwen daar spreken ze nog niet over, ik zei
ook al het was wel beter, altijd dat reizen en trekken, en
dan Zondags weer naar Oudewater dat valt op den duur ook
af. Dinsdag is er boelgoed ten sterfhuize van Bokke Houkje.
Abberda zal het doen. Heeringa helpt hem dan, anders mag
het niet. Hoe gaat het tegenwoordig met de familie te
Wijnaldum? voor een poos hebben wij eens een briefkaart
gehad. Bij Willem Booienga zijn ze druk aan ‘t timmeren, de
andere kamer wordt ingericht voor slaapkamer, een schut er
in, en dan twee slaapkamertjes. Kalma zal heden avond bij
jaarsma spreken, Juffer Ratsma zang, en Juffer v.d. Veen
voordrachten. G. zal er ook heen. De uitvoering naar Dokkum
dat hebben ze afgesteld, daar komt niet meer van, het wordt
te laat in de tijd. G. zou anders schrijven, maar die zit
druk te naaien, zoodat ik het nu maar weer doe. Vader zit
mooi in de zon in de keuken druk te schrijven; de hoofdpijn
is nog heelemaal niet over, met dat scherpe weer kan hij er
tegenwoordig ook niet eens uit. Nu zal ik maar eindigen en
weet op dit oogenblik ook niet meer. Dag Auke en Jannie!
Vele groeten van ons allen. Uwe liefh. Moeke
G. is druk met mijn zwarte jurk aan ‘t veranderen. Eke weet
wel die heb ik nu al 9 jaar gehad; wij hebben alles uit
elkaar en toen in ‘t water gehad, hij wordt nu wêer knap.
Brief 1 april 1920
Donderdag
avond, 1 April 20
Beste S.
E. en kinders!
Ten eerste hartelijjk dank voor de felicitaties; van Harmen
kwam de brief Donderdag middag al geheel uit Sas van Gent.
Hij was met Kuperus voor de derde week al in Zeeland; het
zijn me reizen, zij moesten daar nog al veel fietsen en dan
weer met de boot; het was daar al mooi in Zeeland, schreef
Harmen; veel vroeger met de boomen dan hier, hij heeft het
mooi getrokken met het wêer. Hoe gaat het nu met U allen?
is Auke ook weer naar school geraakt? en Jannie had het dus
ook maar erg te pakken die griep dat beteekent wat, wordt
ze nu al wêer wat sterker? Vader is naar de laatste les van
de Landbouw Cursus. G. is even naar Mawier (Metslawier
-red-) op de fiets, zoodat ik nu maar even aan ‘t schrijven
ga. Met mijn verjaardag kreeg ik ook een brief van vrouw
Jongbloed, van Jo Beijer, van Lien, een briefkaart van Th.
Sijtsma en een briefkaart van uw Moeder. Hinke is hier des
avonds even geweest en Otto, Geertje, Renske Reiding en
Tjip Lubberts zijn gister avond met die andere 4, n.l.
Griet v.d. Akker, Haukje, vr. Reiding en Hinke Veenstra bij
Domini aan huis geweest om Zondag mede aangenomen te
worden. Toen ik vandaag voor een veertien dagen aan Eke
schreef, had Domini hen des avonds op de chategesatie
gevraagd of zij nu ook nog plan hadden om lidmaat te
worden, dan kon dit nog wel, daar zij den geheelen winter
trouw altijd hadden gegaan; zij zijn er toen met hun drieën
maar toe over gegaan; de volgende Woensdag moesten ze dan
maar bij hem aan huis komen, en gister avond was Geima er
ook bij tegenwoordig. Yme Sijtsma was niet recht goed,
zoodat die er niet bij was. Zondag morgen worden ze
bevestigd. Griet v.d. Akker en Hinke Veenstra zijn van
middag naar Dokkum om een barometer voor Domini te koopen;
dit is nog al een geschikt cadeau, daar zijn overglas in de
gang capot is. Daar alles zoo vlug in zijn werk ging,
hebben ze maar besloten geen nieuwe bleezer er voor aan te
schaffen; ieder had wel een mantelpakje. Als Sybe
binnenkort in Wijnaldum komt, en de tijd er voor heeft,
komt hij zeker ook even in Metslawier. Jongbloed en de
Vrouw waren laatst in ‘t begin van Maart ook 25 jaar
getrouwd, maar hadden er ook geen drukte van gemaakt. Jo
was al thuisgeweest, zij had nu daags een dagmeisje van 19
jaar, dat beviel haar best; zij wilde er anders niet aan,
doch had het veel te druk, zij had het ook nog al met de
maag en ingewanden te doen. Lien zou met Harmen zijn
verjaardag een paar dagen naar Dordt, en dan naar Breda
daar woont Tante Jo. Netje had nu een maand verlof, en was
dan thuis; met 1 Mei ging die naar het groot Ziekenhis. Met
het mooie wêer zijn wij al druk aan ‘t wasschen geweest;
beddegoed en spreien alles is al schoon. Het bed daar wij
op slapen, die teek was geheel stuk zoodat dit naar Dokkum
is en nieuwe teek er om komt, de peluw natuurlijk er bij,
dat is tegenwoordig een dure grap; het moest 35 gulden
kosten, alles wordt nu weer knap en op de ledikant van ‘t
andere kamertje (boven) hebben we 2 nieuwe stroozakken
gekregen, dat was ook hoog noodig. Nu nog wat voor Auke
zijn briefje; het was mooi geschreven hoor jongen, wij
kunnen het best lezen; de mooie dagen gaan wij nu wêer te
gemoet, dat wij hopen dat Auke vooreerst nu maar niet weer
ziek wordt; komt Jannie er nu ook al weer uit? Hebben jelui
al weer eens nader bericht gekregen? zeker niet. Kuperus
ging met 1 April naar Leeuwarden, en had al een huis.
Harmen moest nu alleen op reis. Als Jo met de Paaschdagen
weer in Foudgum kwam, kon het wezen dat ze hier a.s.
Woensdag of Donderdag middag kwam, als het wêer het toe
liet om te fietsen. Nu zal ik maar eindigen dag Auke en
Jannie! Uwe liefh. Moeke.
(Deel
geschreven door Vader)
Ook nog
wat van mij. Ik hoop met Beppe dat Auke en Janny de ziektes
nu achter den rug hebben – het mooi weer zal nu welkomen.
Vandaag al een zoel regentje. Zal Auke nu na de
Paaschvacantie weer naar school?
Vinden jelui Breukelen zoo verwerpelijk? Ik veronderstel
dat er beter woongelegenheid te vinden zal zijn dan te
Leeuwarden. Woonde de vorige opzichter misschien in een
buitenwijk van Utrecht? dat zou best kunnen dacht ik. Wij
zijn ook al benieuwd wat er aan komen zal.
Ik heb van middag de laatste les van den Winderlandb.
cursus meegemaakt en heb vanavond geen lust meer veel te
schrijven. Moeke heeft ook al van alles verteld dunkt mij.
Ik moet dan later maar eens wat meer. Nu mijn groeten.
Hartelijk gegroet een plezierige Paasch. Je Vader.
Briefkaart
20 april 1920 – origineel
B.B.
De brief fen E. mei it greate nijs, ha wy jouns krige. Nou
ús hertlike lokwinsken – as ’t nou mei ’t hûs mar hwet
losrinne mei. ’t Is oars nou sa’n minne tiid net, tinkt my,
om Maeije hinne doch de krapke is great. Jimme moatte in
greter hûs hawwe as in gewoan boarger, ’t kin ek wol ris
hwet tafolle. Yn’e Krússtriette flak efter it postkantoar
hat lang in great hearenhûs leach stien fen de femylje
Suringar. Myn neef Jim Boomsma wennet er neist en hie foar
in inkeld jier yet it oppassen. Der laeit in greate tún
efter. Do ‘t ik forline hjerst by Onno Sylstra wier, woe dy
syn hûs ek wol misse as er lytser wer krije koe. Hy wennet
oan ‘e Noarder Singe 72 dalik by it Diaconessenhûs.
Poes moet maar in een mandje Janny en dan in ’t spoor. Us
dominy naem ien mei fen Anloo hjir hinne, bitimmere yn in
hokje mei gaes. By oankomst hjir wier ’t hokje leech in
poeke wei sa ’t like – mar do ’t alles út de wein wier siet
hy yn ‘e hoeke en is yet springlibben. Sal him wol mei –
mar de tún net Auke. Nou wy heare wol ris wer hwet. S. Scil
der wol hinne moatte to fjild ûntdekken kin Douwe ek helpe?
Mei groetenis Fader. Mitselwier 20.4.20.
Briefkaart 20 april 1920 – vertaling
Beste
kinderen,
De brief van Eke met het grote nieuws, hebben wij vanavond
gekregen. Nu onze hartelijke gelukwensen – als het nu met
het huis maar wat loslopen mag. Het is anders nu een te
slechte tijd, nietwaar? Lijkt mij, rond mei is de krapte
toch groot. Jullie moeten een groter huis hebben dan een
gewoon burger; het kan ook wel eens wat meevallen. In de
Kruisstraat vlak achter het postkantoor heeft lang een
groot herenhuis leeggestaan van de familie Suringar. Mijn
neef Jim Boomsma woont ernaast en had voor één jaar nog het
oppassen. Er ligt een grote tuin achter. Toen ik verleden
herfst bij Onno Sylstra was, wilde die zijn huis ook wel
missen als hij weer kleiner krijgen kon. Hij woont aan de
Noordersingel 72, dadelijk bij het Diaconessenhuis.
Poes moet maar in een mandje, Jannie en dan mee in de trein
(deze aan Jannie gerichte zin, was in het Nederlands
geschreven -red-). Onze dominee nam één met van Anloo
hierheen, betimmerd in een hokje met gaas. Bij aankomst
hier was het hokje leeg en Poeke (de kat
-red-) weg, zo
leek het – maar toen alles uit de wagen was zat hij in een
hoekje en is nog springlevend. Zat hem wel mee – maar de
tuin niet, Auke. Nu horen wij wel eens wat. Sybe zal er wel
heen moeten om te veld te ontdekken. Kan Douwe helpen?
Met groeten, Vader. Metslawier 20-04-1920.
Brief 26 mei 1920
Woensdag,
26 Mei 1920
Beste S.
E. en kinders!
De brief en de briekaart van Eke hebben wij ontvangen, de
tijd begint nu te naderen dat Sybe 1 Juni te Leeuwarden
moet zijn. Dat de huur van huizen duur is te Leeuwarden
wisten wij wel, want een zuster van Anema hebben een huisje
gehuurd aan de Harlingenstraat, nog kleiner dan dit van
ons, voor 500 gulden, die gaat nu trouwen; zijn de huizen
wat grooter, dan gaat komt het op 900 of 1000 gulden toe;
daar zullen jelui wel niet voor weg kunnen. Gaat Sybe nu in
een Hotel, hoe zal die het daar nu hebben en Eke bij
Zonderveld, zoo moet dit maar weer geschikt worden. Als
Sybe te L. is, kan hij zelf eens naar huizen zien, dat is
ook beter. Van Harmen kregen wij verleden week een brief,
met de Pinksterdagen zou hij weer naar Oudewater, hij was
verleden week wêer in Zeeland, zou des nachts te Terneuzen
logeeren. In Hulst was hij ook geweest, daar was het juist
kermis. Gij hebt zeker wel in de Courant gezien dat
Burgemeester Sijtsma en zijn Vrouw 25 jaar getrouwd waren.
Des Maandags zou 3 tot 6 uur receptie bij hen aan huis, en
de Dinsdag avonds hebben ze een diné in de Posthoorn waar
70 personen gevraagd waren. Des anderen morgens 7 uur was
Baumvalk pas thuis gekomen. Verleden Donderdag werden de
lui uit het Armhuis getracteerd, waar bij zij beiden des
avonds tegenwoordig waren. Jantje Baarda is overleden aan
tuberculose in de ingewanden, zij moet een vreeselijk
lijden gehad hebben. Jipke is al in haar huis, hier in
Metslawier, doch de nieuwe huizen zijn hier nog niet klaar,
dat de lui moeten zoolang wachten, zij kunnen geen genoeg
hulp krijgen. Jan Lubberts gaat a.s. Vrijdag trouwen. De
Ooms en Tante’s en nichten zijn des middags al verzocht;
Otto en Geertje des avonds, zij trouwen te Dokkum, en de
bruiloft bij Karel Jousma. Tjip gaat Vrijdag avond mee naar
Nijkerk, en blijft daar voorloopig een poos. O. en G.
zullen beide hier; Otto begint zeker wat te veranderen in
dat stuk van zaken. De vrouw hier van Jakob Veenstra
(Trientje) is ook wêer ongesteld, zij moet liggen in een
tentje, waar ze nu mee bezig zijn te maken; voor dire jaar
is ze ook een poos ziek geweest, ik geloof het zit haar
weer aan de ingewanden, en daarbij o zulk een minne
patiënt. Tjeerd Anna is hier Vrijdag middag nog even
geweest te afscheid nemen, daar zij Zaterdag morgen wegging
naar Eelderwolde, met Paterswolde; zij krijgen haar maar
een klein huis, kamer en keuken – de oude schuld heeft zij
betaald. Zij hadden allen er even veel zin aan, maar als er
nu maar een kostwinning is, dat is het voornaamste. Ynske
is geloof ik op dit oogenblik weer bij de Vrou Zondag is
die weer van Munnekezijl gekomen; Maandag weer met Sloot
naar Bergum; in de tilbury. Zij doktert nu met een boertje
van Kollumerpomp. Gaat het nu goed met Auke? en wordt
Jannie ook wat beter? die meikevers zijn rare dingen niet
waar Jannie? Eke moet de volgende week al eens weer
schrijven hoe het bij Zonneveld voldoet. G. heeft verleden
week een nieuwe naaimachine gekregen, de oude wilde haast
niet meer; deze is er aan verruild. Een beste soort
Grnitscher Eerebra van Dokkum; 69 gulden de nieuwe en 14
gulden hebben wij voor de oude gekregen, zoodat wij 55
gulden moesten toegeven. Nu zal ik maar eindigen. Dag Auke
en Jannie! Uwe liefh. Moeke.
Zij doktert nu met een boertje uit Kollemerpomp. Gaat het
nu goed met Auke? En wordt Jannie ook wat beter? Die
meikevers zijn rare dingen, nietwaar Jannie? Eke moet
volgende week weer eens schrijven hoe het bij Zonneveld
bevalt. Geertje heeft verleden week een nieuwe naaimachine
gekregen. De oude wilde haast niet meer, deze is er voor
verruild. Een goed merk. Grnitscher Eerebra uit Dokkum. De
nieuwe kostte 69 gulden en 14 gulden hebben wij voor de
oude gekregen, zodat wij 55 gulden moesten bijleggen. Nu
zal ik maar eindigen. Dag Auke en Jannie! Uw liefhebbende
Moeke!
(Bijgevoegd
deel door Vader)
Als Sybe
in Leeuw. is ontvangen wij wel zijn adres. Hij zal dus weer
rustig naar een woning kunnen omzien. Duur zal ‘t wel zijn
– als men 12 à 15.000 gld als koopsom vraagt, zal de huur
ook wel naar f 900 à f 1000 loopen. Jelui zult wel van een
zuren appel moeten bijten.
Het is hier vandaag erg broeiig gisteren ook al. Het zit
mij op mij borst – wat minder beweging, wat beter.
Is er in Lwd. een kantoor aanwezig of moet Sybe daar ook
voor zorgen. Hoe zit dat, daar heb ik nog niet over
gehoord. Hoe komt het met Sultan?
Onze hartel. groeten, ook voor A. en J. Wat zeggen zij van
het café S. ? Vader.
Brief
27 juni 1920 – origineel
Mitselwier,
27 Juni 20.
B. E. A.
en J.
Wy hawwe dyn brievekaert krigen – wy hienen al earder
biricht forwachte – howol tiding fen syktme altyd to gau
komt. Nou ‘t jimme safier fen elkoar ôfbinne komt syktme al
hiel min to pas.
Lokkich dat it him nou better oansjen lit en Sybe wer in
pear dagen by jimme wêze kin. Fen ‘e moarn krigen wy in
briefke fen him dat G. Tiisdei oan ‘e trein hjirre neijer
biricht fen him krije kin – hy mat dan nei ‘t eilân. Dou
scilste wol witte, det hy hjir al ris in pear kear efkes
west hat – ienkear mei iten en ienkear de jouns en den hjir
wer op ‘e trein. It wiernen lykwols mar koarte hoartsjes.
Mei in hûs wol ‘t yet mar net flotsje, dat is dan mâl.
Kinst ek by S. op ‘e keamer ef binne der ek greater keamers
to krijen – der ‘t jimme al fjouwer wêze kinne en den de
meubels mar earne yn in pakhûs. Sa kin it doch op in djûr
net tinkt my. Wy sjogge – foaral moeke – tige de krante nei
– hwet der oanbean wirdt, mar altyd to keap en den meast
lytse húzen. Greate binne skreauwend djûr, mar jimme scille
noch wol ris fen in sûre appel bite moatte. Djûr hiere is
fensels better.
Hastou hwet oanhâld oan de nije opsichter? Dou hast er
fensels ek wer drokte fen. Lokkich dat A. en J. soun binne.
Nou, mei dyn oanfal fen pine kinne wy ús bigripe, dat stou
graech nei Ljouwert wolste. Kinne jimme earst ek net jimme
geneare yn in lyts hûs? Ik hoopje dat S. in útkokmst fynt –
wy binne al nijsgierrich nei Tiisdei. Dou moast er gau ris
wer skriuwe. Wierne jimme to Lj. Dan koe G. as maklik ris
oerkomme, sûnder folle kosten – nou is ‘t in djûre lange
reis en Moeke kin hjar net lang misse, dy is wol goed, mar
de pit is der hwet út, lyk as mei wy ek al. Ik bin in gjin
wike de bûrren om wêst bliuw mar ljeafst by honk. Nou moat
Moeke oan ‘e pin. Myn groetenissen ek oan ‘e bern.
(Gescheven
door Moeke)
Vader
heeft al een heele boel geschreven, maar nu moet ik er ook
nog maar wat bij voegen. Wij willen maar hopen Eke dat de
pijn nu maar niet weer komen mag, was Eke nu maar in
Leeuwarden, zei ik. Als Gij in L. komt en hebt de hulp van
Geertje noodig, voor een week kan ik dat wel schikken, dat
gaat wel; wij zijn nu al nieuwsgierig naar de berichten van
Sybe; zoo kan het op den duur zeker ook niet. Deze week
kreeg ik ook een briefkaart van uw Moeder uit Wijnaldum, of
ik haast ook eens over kwam; dit zal voor eest nog wel niet
worden, daar ik binnenkort eens naar Wartena zou; het is nu
nog in ‘t mooist van de tijd, en daar ben ik geen 3 jaar
geweest en dit is lang al zoo gesteld. Harmen was laatst
ook in Oudewater toen G. er geweest is, zij zijn des
Maandags naar Rotterdam geweest, en Lien en Geertje hebben
Harmen des morgens eerst op de trein gebracht naar
Dordrecht; hebben toen nog een paar boodschappen in R.
gedaan anders waren ze zoo vroeg bij Oom en Tante. Loda was
nu Onderwijzeres in Ter Bregge, en fietste daags heen en
weer, dit is niet zoo ver van Rotterdam. Harmen mocht wel
over zijn betrekking, het kon nog best zijn dat hij met
Juli verplaatst werd naar Middelburg; hij moet bijna alle
weken naar Zeeland reizen. Ik ben Maandag even bij vr.
Anema geweest, de kleine is Vrijdag al een veertien dagen
geworden, alles gaat zoo best, zij zat al weer bij de tafel
te thee schenken, zoo’n aardig kind, het kon wel 3 of vier
weken oud zijn; zij heeft het aan de borst. Bertus Edema is
de vorige week ook getrouwd, en Baukje veertien dagen
eerder met Jakob Tjeerds. Sjoukje Kalma verwacht in ‘t
laatst van Augustus ook een kleine, en Zuster Blokpoel, die
met meester Wiersma getrouwd is, ook. Trijntje Humalda is
een week naar Sietske geweest. Sietske gaat soms eens naar
een dokter in Groningen van wege de maag. Hier zijn vier
Duitsche kinders in Mitslawier, allen uit Hamburg, een
meisje bij Domine Voest (Teela, heet ze); Erna bij Dr.
Tichelaer, een jongetje bij Miedema, die in de fabriek is,
en een jongetje bij Banger en Afke. Teela komt hier nog al
dikwijls, een heel aanvallig meisje, zij wordt in september
11 jaar. Eichaff is haar achternaam. In Mawier zijn 8. Bij
Reiding in Nijkerk ook een jongetje, bij smid Kuipers in
Mawier een meisje van 8 jaar. Jannie mocht graag over
leezen, heeft Siebe ons verteld, en Auke dat gaat nu ook
best met zijn gezondheid, nietwaar? Eke moet nu maar
spoedig eens terug schrijven, hoe het gaat. Dag Auke en
Jannie! was de nieuwe Sprichte niet uit Apeldoorn? gaat die
Zaterdags ook naar huis? Uwe liefh. Moeke.
(Boven
aan de pagina)
Tjip Lubberts is nu naar L. te logeeren, eerst nog bij
Reiding zij komt hier nog al eens. Ynske is nog in
Munnekezijl.
Brief 27 juni 1920 – vertaling
(Vaders
Friestalige tekst)
Metslawier, 27 juni 1920
Beste
Eke, Auke en Jannie,
Wij hebben jouw briefkaart gekregen – wij hadden al eerder
bericht verwacht – hoewel tijding van ziekte altijd te snel
komt. Nu jullie zover van elkaar af zijn komt ziekte altijd
heel slecht van pas.
Gelukkig dat het hem nu beter laat aanzien en Sybe weer een
paar dagen bij jullie zijn kan. Vanmorgen kregen wij een
briefje van hem dat Geertje dinsdag aan de trein hier nieuw
bericht krijgen kan – hij moet dan naar het eiland. Je zult
wel weten, dat hij hier al eens een paar keer even geweest
is – éénmaal met eten en éénmaal ’s avonds en dan hier weer
op de trein. Het waren meestal korte poosjes. Met een huis
wil het nog maar niet vlotten, dat is dan raar.
Kan ook bij Sybe op de kamer of zijn er ook grotere kamers
te krijgen – waar jullie alle vier kunnen zijn en dan de
meubels maar ergens in een pakhuis. Zo kan het toch op den
duur niet, lijkt mij. Wij zoeken – vooral Moeke – zeer de
kranten na, wat er aangeboden wordt, maar altijd te koop en
dan meestal kleine huizen. Grote zijn schreeuwend duur,
maar jullie zullen nog wel eens in een zure appel bijten
moeten. Duur huren is vanzelf beter.
Heb je wat aangehouden aan de nieuwe opzichter? Je hebt er
vanzelf ook weer drukte van. Gelukkig dat Auke en Jannie
gezond zijn. Nu, met jouw pijnaanval kunnen wij ons
begrijpen dat jullie graag naar Leeuwarden wilde. Kunnen
jullie je eerst niet behelpen in een klein huis? Ik hoop
dat Sybe een uitkomst vindt – wij zijn al nieuwsgierig naar
dinsdag. Jij moet gauw weer eens schrijven. Zijn jullie te
Leeuwarden dan kon Geertje zo makkelijk eens overkomen,
zonder veel kosten – nu is het een dure lange reis en Moeke
kan haar niet lang missen, die (zij)
is wel
goed, maar de pit is er wat uit, zoals met mij ook al. Ik
heb in geen week een ommetje door het dorp gemaakt – blijf
naar liever thuis. Nu moet Moeke in de pen. Mijn groeten
zijn ook aan de kinderen.
Brief
11 juli 1920 – origineel
Mitselwier,
11 Juli 20
B. E. en
bern!
Dyn lêste brief krigen wy Sneintomoarn. Lokkich dat de pine
weibleaun is. Nou mar bidaerd oan. Do ’t Hartmans for my de
skoalle waernaem hie hy ek faek lêst fen pine. Dy prate ek
fen galstiennen. Hy brûkt nou geregeld Karlsbad zout en ik
hear him net mear oer syn kwaelen. Dat sâlt bifoardet tige
de spysfortarring, mien ik. H. moast folle grienten ite en
in bytsje fet brûke. Moai dat de bern fiks soun binne. Ja,
as Auke mei foetbalje bigjint den scil ’t wol op ‘e skoen
oankomme. Ek op ‘e ankels en skinen – mar dy heelje wol wer
sûnder de skoenmakker, as ’t mar net sa mal giet dat de
dokter der by to pas kommen moat. Ek moai, dat jimme mei
mynhear Lodder opsjitte kinne. As ’t mei it kostjild
útkinste is ’t dochs fordieliger en geselliger as yn in
hôtel, scoe ‘k wol sizze.
Mei de húzen to Ljouwert is ’t dan in raer spil – Sybe hat
fensels de eagen goed op. Moeke sneupt trou de krante nei –
er is der hwet fen húzen yn, dan is ‘t: scoe dat nou net
kinne as wier it dan earst hwet bihelpen. Mar wy kinne it
hjirwei net bioerdielje. Moeke is jistermoarn ôfreisge nei
Warten. Ik hie der gjin sin oan – bin ljeaver thús. Ik
treft net sa moai mei ’t waer. Freed werom is ’t plan en
den wol Moeke yn ‘e Ossekop oan. Sibe skreau ús jister dat
der nimmen by him kaem; hy kaem by elk, sa woed er net
mear. As er nou Freedtomoarn mar thús is, út ‘e boat wei
scoe M. der kinne. Der is ’t net sa fier fen ôf haw ik M.
al bitsjut. Ynske is efkes yn Grinslân west mar swalket nou
hwet om – meast to Mountsjesyl – by de omkes Holwerda as
húshâldster. Alde frou Holwerda hjir, hat fen inkelde wiken
de foet britsen en nou is Hil, de dochter, dy ’t oars by
hjar broers op M.syl wier, hjir folle.
Beppe hat Ynske simmers ljeaver net. Y. moat de kost ek ha
en flittert ljeafst om. Fen ’t winter scil hja wol mear
fest by Beppe komme tink ik. It hûs in Grinslân fen Tsjeerd
is lyts en der is mar in pear pounmiet lân by. Tj. hat syn
âld fak wer oanpakt – hy mitselt nou en kin grou jild
fortsjinje yn ‘e ûre f 1.-. It is it forstânnichste hwet hy
dwaen kin. Ja mei Lieuwke wier it kanker. Nou ’t hja net
mear geregeld bistraeld waer – boaze it hird oan.
Jantsje Booijenga is wer klear en scoe nei Jorwert. Hjar
Tryntsje moast ek nei dokter – dy hat kwisje mei de mandels
en wirdt hwet bryk, leau ‘k. To minsten hja scoene ek mei
hjar nei ’t Zander ynstitút. ’t Is in hiel grou famke – mar
der sit net folle by. Geart en ik binne soun. Us
groetenissen Fader.
Frou Booijenga scoe mei nei Jorwert – mar nou sit der in
him to brieden en nou is de reis hwet hjar oangiet oergien.
Nimmen kin fensels op dy him tasjen. ’t Is altyd frjemd!
Brief
11 juli 1920 – vertaling
Metslawier,
11 juli 1920
Beste
Eke en kinderen!
Jouw laatste brief kregen wij zondagmorgen. Gelukkig dat de
pijn weggebleven is. Nu maar rustig aan. Toen Hartmans voor
mij de school waarnam had hij ook vaak last van pijn. Jij
praatte ook van galstenen. Hij gebruikt nu geregeld
Karlsbadzout en ik hoor hem niet meer over zijn kwaal. Dat
zout bevordert zeer de spijsvertering, denk ik. Hartmans
moest veel groente eten en een beetje vet gebruiken. Mooi
dat de kinderen flink gezond zijn. Ja, als Auke met
voetballen begint, dan zal het wel op de schoen aankomen.
Ook op de enkels en schenen – maar die helen wel weer
zonder de schoenenmaker, als het maar niet zo raar gaat dat
de dokter er aan te pas moet komen. Ook mooi, dat u met
meneer Lodder vooruitkomen kunt.
Als het met het kostgeld uitkomt is het evenwel voordeliger
en gezelliger dan in een hotel, zou ik wel zeggen.
Met de huizen te Leeuwarden is het dan een raar spel. Sybe
heeft vanzelf de ogen goed open. Moeke snuffelt trouw de
kranten na – en is er wat over huizen in, dan is het: zou
dat nu niet kunnen, al was het dan eerst wat behelpen. Maar
wij kunnen het hier vandaan niet beoordelen. Moede is
gistermorgen afgereisd naar Warten. Ik had er geen zin in –
ben liever thuis. Ik trof het niet zo mooi met het weer.
Vrijdag wederom is het plan en dan wil Moeke de ossenkop
aan.
Sybe
schreef ons gister dat er niemand bij hem kwam; hij kwam
bij elk: zo wilde hij niet meer. Als hij nu vrijdagmorgen
maar thuis is, uit de boot weg zou Moeke er kunnen. Daar is
het niet zo ver vanaf heb ik Moeke al aangewezen. Ynske is
even in Groningen geweest maar zwalkt nu weer terug –
meeste te Munnikezijl – bij de ooms Holwerda als
huishoudster. Oude vrouw Holwerda hier, heeft enkele weken
geleden de voet gebroken en nu is Hil, de dochter, die
anders bij haar broers op Munnikezijl was, hier veel.
Beppe heeft Ynske zomers liever niet. Ynske moet de kost
ook hebben en is liefst uithuizig. Van de winter zal ze
vast meer bij Beppe komen, denk ik. Het huis in Groningen
van Tsjeerd is klein en er is maar een paar pondenmaat land
bij. Tsjeerd heeft zijn oude vak weer aangepakt – hij
metselt nu en kan grof geld verdienen, in het uur f 1.-.
Het is het verstandigste wat hij doen kan. Ja, met Lieuwke
was het kanker. Nu ze niet meer geregeld bestraald wordt –
het boze houdt aan.
Jantsje Booijenga is weer klaar en zou naar Jorwert gaan.
Haar Tryntsje moest ook naar de dokter – die heeft wat met
de amandelen en wordt wat zonderling, geloof ik. Tenminste
zij zouden ook met haar naar het Zander Instituut moeten
gaan. Het is een heel zware meid – maar er zit niet veel
bij. Geertje en ik zijn gezond. Onze groeten van Vader.
Mevrouw Booijenga zou mee naar Jorwert – maar nu zit er een
hen te broeden en nu is de reis wat haar aangaat
overgegaan. Niemand kan vanzelf op die hen toezien. Het is
altijd vreemd!